De rechten van de individuele softwareprogrammeur

Author info
Hans Graux

Bij de ontwikkeling van software is het vaak moeilijk te bepalen wie precies de houder van de rechten is op een specifiek programma wanneer de software wordt ontwikkeld in de context van een bedrijf. De Belgische Softwarewet bevat een regel die precies het omgekeerde is van de Auteurswet: voor software (in tegenstelling tot andere beschermde werken) is het de werkgever die automatisch de rechten verkrijgt op "computerprogramma's die zijn gemaakt door een of meer werknemers of beambten bij de uitoefening van hun taken of in opdracht van hun werkgever", tenzij bij overeenkomst of statutair anders is bepaald (artikel 3 van de Softwarewet).

Deze regel geldt echter enkel voor werknemers of beambten. De vraag stelt zich wel eens of dit principe ook van toepassing is op de zaakvoerders van een onderneming (vaak een éénpersoons-BVBA): verkrijgt de vennootschap in dit geval ook automatisch de rechten, of is het mogelijk voor de zaakvoerder om deze voor zich te houden? En vooral: is hier een expliciete overeenkomst voor nodig tussen de zaakvoerder en de vennootschap, of behoudt deze zijn rechten automatisch, d.w.z. bij gebreke aan andersluidende overeenkomsten?

Het Hof van Cassatie sprak zich o.a. hierover uit in een arrest van 3 juni 2010. In deze zaak had het Hof van Beroep te Gent eerder geoordeeld dat de statutair zaakvoerder niet als auteursrechthebbende kon worden beschouwd. De zaakvoerder had bepaalde software ontwikkeld binnen de context van zijn onderneming zonder hierover verder een overeenkomst te sluiten. Na het faillisement van de onderneming argumenteerde de zaakvoeder dat de software hem persoonlijk toebehoorde, en dat zij dus niet in de boedel van de failliete vennootschap viel.

Het Hof van Beroep verwierp deze redenering, en merkte enerzijds op dat de automatische overdrachtsregel van de Softwarewet naar haar mening ook van toepassing was op deze statutaire zaakvoerder, en anderzijds dat er geen bewijs was dat de zaakvoerder zelf effectief de auteur zou zijn geweest. Daarentegen was er wel bewijs dat de software werd geëxploiteerd binnen het kader van de vennootschap, waardoor het Hof oordeelde dat de vermogensrechten op de software aan de gefailleerde vennootschap waren overgedragen. "Het is juridisch niet correct te beweren dat alle voordelen van het computerprogramma voor hemzelf zijn, maar dat alle lasten bij de gefailleerde vennootschap blijven", aldus het Hof.

De zaakvoerder trok hierop naar het Hof van Cassatie met een rist grieven, waaronder de (volgens haar) onterecht brede interpretatie van de automatische overdrachtsregeling.

In haar arrest steunde het Hof van Cassatie de zaakvoerder, en bevestigde het Hof expliciet dat de automatische overdrachtsregel niet geldt voor statutaire zaakvoerders. Ook het gegeven dat de ontwikkeling gebeurde binnen het kader van de activiteiten en de doelstellingen van een vennootschap was volgens het Hof van Cassatie niet voldoende om te besluiten tot een overdracht. Een dergelijke interpretatie zou immers strijdig zijn met de algemene regels van de Auteurswet, vermits ook in dit geval het auteursrecht nog steeds ontstaat in hoofde van de auteur zelf, en niet rechtstreeks in hoofde van een vennootschap. Het Hof van Cassatie verbrak om die redenen het eerdere arrest van het Hof van Beroep.

Het Hof van Cassatie bevestigt met dit arrest de centrale rol van de fysieke auteur (de programmeur) van de software. Dit is vooral van belang bij contracten die men afsluit met kleinere softwarebedrijven, waar (een groot deel van) de ontwikkeling wordt gedaan door de zaakvoerder zelf: in dit geval moet duidelijk worden vastgelegd wie de rechthebbende is, en moeten hiervoor de nodige garanties worden gegeven. Zo niet dreigt men bij een faillissement met lege handen achter te blijven.