Blog

De Elektronische Procesvoering: Stand van Zaken in België.

Geschreven door Davide Maria Parrilli op , in de categorie Rules & regulations

De evolutie bij de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

Recentelijk heeft België belangrijke stappen gezet op het vlak van de modernisering van de procesvoering. Sinds 1 februari 2014 verloopt de procesvoering bij twee belangrijke administratieve rechtscolleges, de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, elektronisch. De gelijktijdige invoering voor beide instanties is merkwaardig gelet op het toch grote verschil tussen de respectievelijke systemen. Men mag hopen dat rechtbanken en hoven in burgerlijke en strafzaken soortgelijke stappen zullen zetten. Tot nu toe is het Hof van Beroep van Antwerpen een uitzondering. Sinds 1 maart 2013 kan men voor dit Hof via e-mail conclusies in burgerlijke zaken indienen.

 De elektronische procesvoering van de Raad van State

De elektronische procesvoering van de Raad van State is gebaseerd op een beveiligde en betrouwbare website die alleen toegankelijk is mits het gebruik van een Belgische elektronische identiteitskaart (of een Belgische elektronische verblijfskaart voor vreemdelingen) en een beveiligingscode (d.w.z. de pincode van de elektronische kaart).

Op basis van het K.B. van 13 januari 2014 dat regels inzake de elektronische procesvoering bepaalt, is de elektronische gerechtelijke procedure van toepassing op de zaken bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De beveiligde website http://eproadmin.raadvst-consetat.be is toegankelijk voor advocaten en voor personen die in eigen naam optreden. De website is bedoeld om de verzending en uitwisseling van verzoekschriften en processtukken op een elektronische manier mogelijk te maken.

In de praktijk worden partijen via een mailbericht op de hoogte gebracht van de neerlegging van processtukken. Ze kunnen die stukken raadplegen in het e-dossier via de beveiligde website. Na het indienen van een verzoekschrift via de website door een verzoeker, krijgen de verwerende partij en de belanghebbende partijen toegang tot het dossier via een eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel medegedeeld door de griffie van de Raad. 

Het gebruik van de elektronische procesvoering is niet verplicht en de partijen kunnen kiezen om hun verzoekschrift, conclusies en stukken op papier per post bij de Raad van State in te dienen.  De keuze voor deze traditionele manier verhindert niet het recht van de tegenstrever of van de andere partijen om hun besluiten en stukken elektronisch in te dienen. In principe worden alle op papier ingediende documenten en stukken gescand en in het e-dossier gezet.

Vanuit technisch oogpunt is de aangewende technologie dezelfde als het systeem reeds gebruikt voor het indienen van de belastingaangiften.

Voor de registratie en het gebruik van elektronische procesvoering dient men zich dus kenbaar te maken door middel van een in België afgegeven elektronische identiteitskaart en mits vermelding van een e-mailadres. Bij het eerste bezoek vult de registratieaanvrager (al dan niet een advocaat) zijn profielformulier in.

De elektronische procesvoering is ook bruikbaar voor rechtspersonen. Zij moeten één of meer natuurlijke personen aanwijzen die namens hen van de elektronische procesvoering gebruik zullen maken.

Bovendien kan een registratiehouder derden een machtiging verlenen om toegang te krijgen tot het elektronisch dossier van de zaak waarin hij optreedt. Een advocaat bijvoorbeeld kan zijn cliënt een machtiging geven om toegang tot het dossier te hebben maar zonder de mogelijkheid om besluiten en stukken over te maken.

De elektronische procesvoering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

De elektronische procesvoering bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is niet gebaseerd op een beveiligde website maar op het doorsturen van verzoekschriften, nota’s en syntheseconclusies ingediend door verzoekers bijgestaan door een advocaat via e-mail. Het indienen van die documenten ook per e-mail als bijlage is verplicht vanaf 1 februari 2014, behalve voor de procedures in uiterst dringende noodzakelijkheid, op straffe van onontvankelijkheid of niet-inschrijving op de rol.

Krachtens de wet van 8 mei 2013 en het K.B. van 26 januari 2014 dienen verzoekschriften, nota’s en synthesememories zowel per aangetekende zending als per e-mail verzonden te worden, terwijl de bestreden beslissing en de stukken alleen per aangetekende zending ingediend kunnen worden. De documenten doorgestuurd per e-mail dienen niet ondertekend te zijn.

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkeling gelieve Davide M. Parrilli te contacteren op (davide.parrilli@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer

3D-Printtechnologie: Juridische Kwesties

Geschreven door Geert Somers op , in de categorie Copyright & other IP

Terwijl het bestaan en de potentiële impact van 3D-printtechnologie steeds bekender wordt, blijft de technologie steeds verder ontwikkelen en raakt zij in een steeds sneller tempo verspreid. NASA bijvoorbeeld, kondigde in september 2013 aan dat zij volgend jaar 3D-printtechnologie in de ruimte zal lanceren.

Met het vooruitzicht van de overgang van deze potentieel ontwrichtende technologie van niche naar een meer mainstream gebruik, verschijnen een aantal juridische en regelgevende kwesties aan de horizon. Dergelijke juridische kwesties (met betrekking tot gebieden zoals auteursrecht, patent, handelsmerk, ontwerprechten, particuliere versus opensource supplies en aangelegenheden van openbaar beleid) zullen uiteengezet worden na eerst in het kort de 3D-printtechnologie te hebben beschreven.

3D-printtechnologie

3D-printing is een proces waarin een driedimensionaal voorwerp van vrijwel elke vorm wordt gemaakt vanuit een digitaal model. Het werkt door een ontwerpmodel te nemen dat is opgeslagen in een CAD-bestand en dat vervolgens, als leidraad voor het printen, in dwarsdoorsneden wordt “gesneden”. Dit in plakjes “gesneden” ontwerp wordt vervolgens naar de 3D-printer gestuurd die het object fabriceert door bij de basislaag te starten en van daaruit een reeks van lagen op elkaar te bouwen tot het volledige object is opgebouwd.

Sinds 3D-printing in het midden van de jaren 1980 voor het eerst is verschenen, is het steeds sneller gaan evolueren en is het voor steeds meer toepassingen gebruikt (waaronder de meest diverse gebieden zoals: architectuur; biotechnologie; de bouw; mode; voedsel; schoeisel; en industrieel ontwerp). Momenteel worden voorwerpen uit een steeds groter gamma aan materialen vervaardigd waaronder: gesmolten metalen; plastic; hout; baksteen; en chocolade. Het assortiment van de vervaardigde voorwerpen zelf is divers (waaronder: kleerhangers, manchetknopen, schoenen, theekopjes; en speelgoedautootjes).

Vandaag de dag zijn de goedkoopste 3D-printers verkrijgbaar voor minder dan €1,000 en is het “ecosyteem” van de 3D-printtechnologie geëvolueerd tot op het punt waarbij er een heel aantal van professionele/commerciële vervaardigers van uitrusting, leveranciers van grondstoffen, online opslagplaatsen  voor ontwerpen , “on demand” 3D-printshops, en universitaire/educatieve instellingen betrokken zijn.

3D-printtechnologie is een potentieel ontwrichtende technologie. Het biedt snelle, flexibele, en lage kost oplossingen om gepersonaliseerde driedimensionale voorwerpen te maken voor zowel prototyping als gedistribueerde productie.

Als een “additief” proces, waarbij opeenvolgende lagen van materialen worden neergelegd in verschillende vormen, verschilt het van traditionele bewerkingstechnieken die voornamelijk steunen op de verwijdering van materiaal door middel van methoden zoals snijden en boren (de zogenaamde “subtractieve processen”).

Toch blijft het voorlopig moeilijk om de aard en snelheid te beoordelen van de impact die 3D-printing heeft op productvervaardiging en gerelateerde activiteiten. Voor het ogenblik is de technologie beter geschikt om op maat gemaakte producten te maken dan generische massaproducten.

Niemand kan met zekerheid voorspellen hoe 3D-printtechnologie zal ontwikkelen en wat de exacte impact ervan zal zijn.

Een aantal commentators geloven dat 3D-printtechnologie veel te sterk wordt gehypet en dat een zogenaamde “trog van teleurstelling” zal volgen wanneer de verwachtingen van de consument omtrent het thuis fabriceren via 3D-printen voor enige tijd niet zullen worden ingelost.

Er is echter een redelijke verwachting dat 3D-printen binnenkort een betekenisvolle impact op het ondernemingsklimaat zal hebben wanneer bepaalde activiteiten, zoals prototyping, kunnen plaatsvinden op een meer flexibele en goedkopere wijze dan daarvoor.

3D-printen: juridische kwesties en regelgeving

Ongeacht de aard en de snelheid van de impact van 3D-printtechnolgie, verhogen de zichtbaarheid en het gebruik van 3D-printtechnolgie nu al de mogelijkheid van een aantal potentiële juridische en regelgevende kwesties.

De waarschijnlijke kwesties omtrent intellectuele eigendom (met betrekking tot patent, auteursrecht; handelsmerk; en modelrecht) gaan drie specifieke elementen aan van het proces van de technologie (de CAD-bestanden; het geprinte voorwerp zelf; en de online opslagplaatsen waar de CAD-bestanden worden geüpload en gedeeld). Er bestaan ook bredere wettelijke en regelgevende kwesties met betrekking tot meer algemene aspecten van 3D-printtechnologie en haar impact.

Met betrekking tot de drie specifieke elementen van de technologie, en bij afwezigheid van een gevestigde wet, kunnen volgende soorten intellectuele eigendommen bestaan:

De CAD-bestanden: het CAD-bestand zelf kan een auteursrechtelijk beschermd werk vormen. Indien het een plan bevat voor een gepatenteerd product, en het wordt vervolgens verspreid, zou dit een patentinbreuk kunnen vormen.

Het geprinte voorwerp: er bestaat geen ongecompliceerde relatie tussen het geprinte voorwerp en auteursrecht (vooral indien het voorwerp geen esthetische waarde heeft). Het voorwerp mag patenteerbaar zijn indien het niet te algemeen is en zou kunnen beschermd worden als een ontwerp volgens de toepasselijke rechtsmacht. Indien het voorwerp een handelsmerk heeft, dan kan dit een inbreuk vormen of een verdunning van het handelsmerk.

Online CAD-opslagplaatsen: CAD-bestanden hosten die een inbreuk vormen op een intellectueel eigendomsrecht kan aanleiding geven tot een secundaire aansprakelijkheid voor de online opslagplaats.

Dit derde element, de online CAD-opslagplaatsen, benadrukt een interessant aspect van het “ecosysteem” van de 3D-printtechnologie: de aanwezigheid van zowel particuliere als opensource hardware en software.

Dit punt is van belang: wanneer de intellectuele eigendomsrechten omtrent deze 3D-printtechnologie uiteindelijk zullen worden bepaald, zal de kwestie volgen van hoe men deze rechten kan afdwingen. Eén commentator vestigde de aandacht op de kracht van de opensource aard van 3D-printtechnologie hardware en software. En zal iemand in een dergelijk klimaat in staat zijn om patenten af te dwingen tegen een immense gemeenschap van ontwikkelaars en fabrikanten? Misschien zal er wetgeving moeten komen om het toepassingsgebied van de patenten uit te breiden? In één gerapporteerd geval werd het funding platform Kickstarter aangeklaagd voor zijn rol in het werven van fondsen voor een fabrikant van 3D-printers die naar men beweert een inbreuk maakte op het bestaande patent van een rivaal.

Daarbovenop kan er een “terugstoot” komen van bestaande eigenaars van intellectuele rechten tegen ontwrichtende 3D-printtechnologie, vooral wanneer, en dit is waarschijnlijk, bestaande bedrijfsmodellen bedreigt worden.

Een dergelijke stap zou analoog zijn met de “gevestigde” en eindeloze procesvoering die de muziekmaatschappijen voeren met ontwrichtende sites waar men gratis muziek kan downloaden (van Napster tot Pirate Bay). Een dergelijke “terugstoot” kan opnieuw de vorm aannemen van pogingen om nieuwe wetgeving in te voeren die bestaande houders van intellectuele eigendomsrechten en hun bedrijfsmodellen beschermen.

In de bredere regelgevende arena wordt nu met de ellebogen gewerkt door verdedigers van particuliere belangen en opensource belangen. De Electronic Frontier Foundation (“EFF”) heeft het initiatief genomen om inspanningen te “crowdsourcen” die geleverd worden ter preventie van de potentiële schade die patenten aan innovatie aanrichten. 

De EFF achtte dit initiatief noodzakelijk in het licht van patenten die worden ingediend door zogenaamde “patenttrollen”. Eén voorbeeld is een patent dat Intellectual Ventures indiende voor een DRM-controlesysteem van 3D-printtechnologie. Een dergelijk DRM-systeem (Digital Rights Management) zou uitdraaien op een situatie waarbij iedereen die een bepaald 3D-printbestand wil, een licentievergoeding zou moeten betalen. Het blijft echter afwachten hoe een dergelijke vergoeding in de praktijk zou werken.

Meer algemene aspecten van overheidsbeleid zullen waarschijnlijk beginnen te ontstaan met bepaalde toepassingen van 3D-printtechnologie, en er kunnen gevallen voorkomen dat een “ongewenst” item wordt gebannen. Een voorbeeld uit mei 2013 is het 3D-geprinte pistool in de Verenigde Staten. In slechts enkele dagen tijd was het 3D-geprinte pistool meer dan 100,000 keer gedownload. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gelastte de verwijdering van het ontwerp wegens vermoedelijke niet-naleving van de Amerikaanse wapenexportwetten. Het ontwerp bleef echter elders op het web beschikbaar, wat opnieuw illustreert hoe moeilijk het is om in de digitale wereld aan IP “policing” te doen.

Samengevat, is het waarschijnlijk dat 3D-printtechnologie de productie en distributie van een aantal goederen en diensten in bepaalde bedrijfstakken zal verstoren. De intellectuele eigendomsrechten betreffende de productie en het gebruik van bestaande en nieuwe producten zullen worden getroffen. Hoewel de timing en de aard van de impact voorlopig onduidelijk blijven, is het voor bedrijven de moeite waard om na te denken over de impact die deze nieuwe technologie mogelijk op hen zal hebben…

Geert Somers licht nader toe:

"Terwijl delen van de (voornamelijk mainstream) media de ophanden zijnde impact van 3D-printtechnologie hypen, zal deze technologie in bepaalde productie- en distributiegebieden kansen voor nieuwe toepassingen creëren, terwijl ze tegelijk een uitdaging zal betekenen voor bepaalde bestaande bedrijfsmodellen. Hoe dat zal uitpakken voor het dagdagelijkse bedrijfsleven, valt nog te bezien. Intussen is het voor iedere organisatie die potentieel getroffen wordt, belangrijk om zich op zijn minst bewust te zijn van de impact van deze evoluerende technologie, en deze bij voorkeur continu te evalueren, en meer in het bijzonder haar juridische en regelgevende gevolgen.”

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkelingen, gelieve Geert Somers te contacteren op (geert.somers@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies. 

Lees meer

General Public License Opnieuw bevestigd door Duitse Rechtbank

Geschreven door Hans Graux op , in de categorie Copyright & other IP

In juni 2013 herbevestigde een Duitse arrondissementsrechtbank (het Landgericht Hamburg) de rechtsgeldigheid van de GPLv2 opensourcelicentie.  De rechtbank was van mening dat een fabrikant van mediaspelers de voorwaarden van deze licentie had geschonden door een gewijzigde versie van de opensource netfilter/iptables software in zijn hardware te integreren, zonder de volledige broncode correct beschikbaar te maken. Een dergelijke handeling schond niet alleen de GPLv2-licentie, maar betekende eveneens een inbreuk op een eerdere overeenkomst afgesloten tussen de auteur van de software en haar fabrikant.

Opensourcesoftware en de GPL v2 - licentie

Opensourcesoftware is relatief gemeengoed geworden in de ICT-wereld. Programmeurs die ervoor kiezen hun werk(en) via de weg van de opensourcelicenties beschikbaar te maken kunnen uit een aantal licenties kiezen. Eén van de populairste opensourcelicenties is de GPL v2-licentie, die het vrije gebruik, de wijziging en de herverdeling van de gelicentieerde software toestaat. Aan de GPL v2-licentie zijn echter wel een aantal voorwaarden verbonden: de herverdeelde code moet eveneens een GPL v2-licentie krijgen, wat vereist dat eindgebruikers in staat worden gesteld een kopie van de broncode te verkrijgen. Deze vereiste maakt het eindgebruikers mogelijk om precies te verifiëren hoe de software werkt en staat hen de mogelijkheid toe om hun eigen wijzigingen te maken.

Achtergrond van het geschil

Een voorbeeld van software met een GPL v2-licentie is netfilter/iptables, gecreëerd door een programmeur genaamd Harald Welte. De software, die bepaalde types van netwerkanalyse en filtering toestaat, kan worden geïntegreerd in netwerkapparatuur zoals routers. Een hardwarefabrikant, genaamd  Fantec, koos ervoor een versie van netfilter/iptables te integreren in één van zijn mediaspelers. Het maakte echter niet de volledige bijbehorende broncode beschikbaar voor eindgebruikers die de mediaspelers aankochten.

In 2010 werd een gelijkaardig geschil tussen de heer Welte en Fantec in der minne opgelost via een onderhandse akte. In deze akte ging Fantec ermee akkoord de vereisten van de GPL v2 in haar apparatuur in acht te nemen, op straffe van een boete, te betalen aan de houder van het auteursrecht in geval van een schending. Een technische controle van de software van de mediaspeler bracht echter aan het licht dat het de software bevatte, zonder de volledige bijbehorende broncode beschikbaar te stellen. Als gevolg hiervan startte de heer Welte een geding tegen Fantec voor de Duitse rechtbanken (het rechtsgebied waaronder zowel de heer Welte als Fantec vallen).

Het vonnis van de Duitse rechtbank

In een beslissing van 14 juni 2013, herbevestigde een Duitse arrondissementsrechtbank (het Landgericht van Hamburg) de geldigheid van de GPL v2-licentie. In haar uitspraak stelde zij dat de onbeschikbaarheid van de broncode een schending was van de voorwaarden van de opensourcelicentie, en dus van de auteursrechten van de auteur, en dat zij een inbreuk was op de akte uit 2010.

Fantec werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding zoals gesteld in de akte uit 2010 (net als tot de juridische kosten van de heer Welte) en werd gehouden om informatie betreffende de verkoop van de mediaspeler voor te leggen, om de verschuldigde licentievergoedingen te bepalen.

Een verrassende uitspraak?

De rechtsgeldigheid van de GPL-licenties werd in het verleden op meerdere gronden in vraag gesteld, waaronder deze dat hun zogenaamde “virale clausule” (die voor gewijzigde software eveneens een GPL-licentie vereist) de rechten van de producenten van afgeleide programma’s zou schenden. Tot nog toe schijnt geen enkele rechtbank echter een dergelijk argument geaccepteerd te hebben. Deze uitspraak is ook niet bijzonder opvallend, gezien een andere rechtbank (het Landgericht van München) reeds de rechtsgeldigheid van de GPL had bevestigd, een zeer gelijkaardige zaak in 2004 die ook al om netfilter/iptables software draaide. De geldigheid van de GPL is dus behoorlijk ingeburgerd in Europese rechtbanken.

Een nieuw element in deze zaak, in vergelijking met de uitspraak van 2004, was dat Fantec had geargumenteerd dat het niet verantwoordelijk was voor de inbreuk, gezien de software in kwestie aan Fantec werd verstrekt door een Chinese onderaannemer, die blijkbaar garanties had verstrekt omtrent de integriteit van de software. Fantec claimde dat het technisch zelf de samenstelling van de software niet kon verifiëren en dat iedere inbreuk werd begaan door de aannemer (eerder dan door Fantec zelf). De rechtbank verwierp dit argument, en verklaarde dat Fantec uiteindelijk verantwoordelijk bleef voor de naleving van haar eigen producten met de toepasselijke wetten en dat zij de software had moeten testen op inbreuken. Waarschijnlijk zou de uitspraak Fantec niet tegenhouden om een vergoeding te zoeken van haar onderaannemer voor de schade die zij moest betalen aan de houder van het auteursrecht, maar dit zal niet van invloed zijn op Fantec’s verplichting om een vergoeding te betalen aan de houder van het auteursrecht.

Hans Graux licht nader toe:

“Opensourcesoftware heeft bewezen een betrouwbare en bruikbare manier te zijn om ontwikkelingstijd te minimaliseren en om de stabiliteit en de veiligheid van software te verbeteren. Echter, de term “opensource” betekent niet noodzakelijk “vrij van beperkingen”. Fabrikanten van software en apparatuur die opensourcesoftware gebruiken dienen na te gaan wat de licentievereisten zijn en dienen deze te respecteren. Het gebruik van aannemers ontslaat software- en apparatuurfabrikanten niet van deze verplichting.”

Voor verdere informatie over deze juridische ontwikkeling, gelieve Hans Graux te contacteren op (hans.graux@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer

Nieuwe Richtlijn Over Aanvallen op Informatiesystemen

Geschreven door Hans Graux op , in de categorie Cybercrime

Op EU-niveau zijn er verscheidene pogingen ondernomen om de wetgeving inzake computercriminaliteit over de hele regio te harmoniseren.

In 2001 maakte de Raad van het Europees Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken een eerste uitstapje in dit beleidsgebied. In 2005 werd het gevolgd door het Europees Kaderbesluit over Aanvallen op Informatiesystemen.

Met het evolueren van computercriminaliteit was een herzien kader nodig. Nu vervangt een nieuwe EU-richtlijn over Aanvallen op Informatiesystemen het Kaderbesluit en zorgt zij voor een update van de regels.

Achtergrond

De eerste Europese poging om te voorzien in een geharmoniseerd wettelijk kader ter bestrijding van computercriminaliteit vond plaats in 2001, op de Raad van het Europees Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (ook gekend als het “Verdrag van Boedapest”). Het definieerde een reeks misdaden (zoals illegale toegang, systeem- en gegevensinterferentie en illegale onderschepping) en stelde regels betreffende jurisdictie en strafrechtelijke onderzoeksmaatregelen. Het was behoorlijk succesvol in haar doelen: het was één van de weinige initiatieven van de Raad van Europa die ook werd ondertekend en geratificeerd door niet-lidstaten, waaronder de VS, Japan en Canada.

Het eerste wettelijke initiatief binnenin de EU was het Europees Kaderbesluit over Aanvallen op Informatiesystemen uit 2005. Dit besluit had een iets ander toepassingsgebied dan het Verdrag van Boedapest. Aan de ene kant was het meer gericht: haar toepasbaarheid was beperkt tot enkel de EU-lidstaten, en het bevatte geen regels over onderzoeksmaatregelen (gezien dit het toepassingsgebied van de regelgevende bevoegdheden van de EU te buiten ging). Aan de andere kant specificeerde het wel minimumstraffen en vereiste het dat de Lidstaten permanente contactnetwerken (24/7) zouden creëren om elkaar bij te staan in strafrechtelijke onderzoeken; geen van beide zaken werd in het Verdrag van Boedapest opgenomen. Op deze manier werd de EU-wetgeving omtrent computercriminaliteit al tot op een zekere hoogte geharmoniseerd.

Nieuwe uitdagingen vereisen nieuwe regels

Computercriminaliteit stopte echter niet met evolueren. Er kwamen nieuwe trends op, zoals georganiseerde misdaad, botnet aanvallen (waarbij computers worden aangevallen door een zeer groot aantal besmette computersystemen) en identiteitsdiefstal (waarbij informatie over iemands identiteit wordt gebruikt door een derde partij, voornamelijk om fraude te plegen, of om op een andere manier kwaad te doen). In het licht van deze uitdagingen was een herzien kader nodig.

In 2010 publiceerde de Europese Commissie een wetsvoorstel dat, na beraadslaging, op 22 juli 2013 eindelijk door het Europese Parlement werd aangenomen. De nieuwe wetgeving werd op 14 augustus 2013 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie als de Richtlijn 2013/40/EU over Aanvallen op Informatiesystemen en werd van kracht op 4 september 2013. De Richtlijn schaft het Kaderbesluit af en Lidstaten moeten het in nationale wet omzetten tegen 4 september 2015.

Belangrijkste veranderingen en uitdagingen

Veel van de Richtlijn spiegelt de inhoud van het eerdere Kaderbesluit en behoeft om die reden geen betekenisvolle verandering. Bij wijze van voorbeeld: alle definities van computercriminaliteit werden weerhouden (hoewel soms met hogere straffen), evenals de regels omtrent jurisdictie, aansprakelijkheid van rechtspersonen, en medewerking via contactnetwerken die de klok rond open blijven. Daarbovenop werden een aantal elementen van het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, geïntegreerd die tot dusver in de EU regelgeving ontbraken, zoals de misdaad van illegale onderschepping en het misbruik van tools. Gezien de meeste Lidstaten hun wetten al op één lijn hadden gezet met zowel het Kaderbesluit als met het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, zullen deze elementen in de meeste EU-landen weinig wetgevende veranderingen behoeven.

Meerdere elementen uit de Richtlijn zijn echter compleet nieuw. De Richtlijn introduceert nieuwe verzwarende omstandigheden, inbegrepen het plegen van misdaden waar “een aanzienlijk aantal informatiesystemen werden aangetast door middel van het gebruik van tools (dwz botnetaanvallen), en misdaden “begaan door het misbruiken van persoonsgegevens van een andere persoon, met als doel het vertrouwen te winnen van een derde partij, hierbij schade veroorzakend aan de rechtmatige eigenaar van de identiteit” (dwz identiteitsdiefstal). Meer nog, Lidstaten moeten in de toekomst  in staat zijn om dringende informatieverzoeken te beantwoorden binnen een antwoordtijd van niet meer dan 8 uur, en zij zullen vereist worden statistische gegevens te verzamelen en de heersende computercriminaliteit en criminele veroordelingen binnen de eigen grenzen aan te geven.

Deze nieuwe elementen zijn niet altijd makkelijk te implementeren. Het zal een uitdaging vormen om het aantal systemen te beoordelen dat vereist is om een botnet te creëren (een “aanzienlijk aantal”), net als de vraag wat precies “schade” veroorzaakt aan de “eigenaar van een identiteit”. Op deze punten de jurisprudentie begeleiden, zal in vele Lidstaten tijd in beslag nemen. Gelijkaardig kan het verzamelen van statistische gegevens moeilijkheden opleveren, gezien de meeste Lidstaten geen overheidsinstantie hebben die bevoegd is om alle gegevens te verzamelen, zoals gecategoriseerd in de Richtlijn, aangaande prevalentie van incidenten, arrestaties, vervolgingen en veroordeling.

Het is duidelijk dat de Richtlijn de inspanningen en de samenwerking van de EU inzake de strijd tegen computercriminaliteit verder wil stroomlijnen, en bedoeld is om het wapenarsenaal van de Lidstaten van nieuwe wapens te voorzien. Het is te hopen dat deze verandering een positieve ontwikkeling zal blijken te zijn.

Hans Graux licht nader toe:

“De nieuwe Richtlijn stroomlijnt en verbetert de Europese regels in de strijd tegen computercriminaliteit. Hoewel sommige van de nieuwe bepalingen duidelijk een uitdaging zullen vormen om te implementeren en correct toe te passen, voorzien zij in een gezamenlijke weg naar een meer effectieve misdaadbestrijding.”

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkeling gelieve Hans Graux te contacteren op (hans.graux@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer

Benelux Banken Winnen Zaken Domeinnamen

Geschreven door Frederic Debusseré op , in de categorie E-business

Twee financiële instellingen in de Benelux, ING en Belfius, hebben geschillen gewonnen tegen domeinnaam “squatters”. Deze gevallen illustreren hoe, met de juiste benadering,  merkhouders hun belangen snel en efficiënt kunnen verdedigen in dit deel van cyberspace.   

Het geval van ING betrof een .com topleveldomeinnaam en “cybersquatting”, terwijl het geval van Belfius te maken had met een .be national-level domeinnaam en een ander geval van “squatting”, wat “typosquatting” genoemd wordt. Ongeacht deze verschillen, delen beide zaken enkele interessante aspecten die hieronder worden besproken.

ING - inghomebank.com

De ING Groep bezit een reeks merknamen in de Benelux met betrekking tot ING en HOME’BANK.  In augustus 2012, werd de domeinnaam inghomebank.com geregistreerd door een identiteit genaamd “Personal use”.

In mei 2013, stuurde ING België (vertegenwoordigd door time.lex) een schrijven met verzoek tot stopzetting naar het vertoonde e-mailadres van de domeinwebsite. Een zekere Andrius Daugela uit Vilnius antwoordde dat hij de eigenaar was van de domeinnaam en bood aan deze te verkopen voor niet minder dan 1,500 Amerikaanse dollar. 

Medio juli 2013, diende ING België klacht in omtrent de domeinnaam bij de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (“WIPO”) om de overdracht van de domeinnaam naar ING België te realiseren.

ING België heeft deze zaak gewonnen. Het panel beval de overdracht van de domeinnaam naar ING België gezien deze laatste met succes de volgende drie toetsen had doorstaan die noodzakelijk zijn voor een dergelijke overdracht: 

1. De domeinnaam was identiek aan of leek verwarrend sterk op een merknaam of dienstmerk waarop ING België de rechten bezat. Gezien ING België kon bewijzen dat het al in 1992 de handelsmerkrechten bezat op de beide woorden ING en HOME’BANK, was het panel van mening dat de domeinnaam identiek was aan die van de handelsmerken van ING, met uitzondering van één weglatingsteken. Het panel stelde dat het weglatingsteken geen belangrijk verschil was: zelfs wanneer de domeinhouder enige punctuatie toevoegde of wegliet, bleef het domein in verwarrende mate gelijkaardig ; de domeinnaam was in verwarrende mate gelijkaardig wanneer het twee van ING’s handelsmerken combineerde; en, zelfs indien HOME’BANK beschouwd werd als een generisch of beschrijvend woord, deze combinatie verwarrend gelijkaardig bleef aan het woord “home bank” met betrekking tot het online thuisbankieren van ING.

2. De verweerder had geen recht of legitieme belangen met betrekking tot de domeinnaam. Het panel kon geen enkel bewijs vinden dat de verweerder via de domeinnaam enige bona fide goederen of diensten aanbood. Het vond dat de verweerder de naam voor zijn eigen doeleinden en zonder enig bekommernis voor de legitieme merkhouder had verduisterd.

3. De domeinnaam werd te kwader trouw geregistreerd en gebruikt. Het panel bepaalde dat de verweerder op bedrieglijke wijze het publiek naar de domeinnaam afleidde door op onfatsoenlijke wijze munt te slaan uit de bekende naam van ING en door internetgebruikers te verwarren door hen er op de website op te wijzen dat deze te koop stond. Daarenboven was de verweerder uit op commercieel gewin door de twee bekende handelsmerknamen aan te bieden die in de domeinnamen vervat zaten. Vervolgens stelde het panel vast dat de verweerder al gelijkaardige handelingen had gesteld door andere domeinnamen proberen te verkopen. Verder bewijs van kwade trouw was zijn duidelijke bedoeling om zijn ware identiteit te verhullen door als naam “Personal use” te gebruiken.

Voor merkhouders zijn er opmerkelijke aspecten betreffende de ING-kwestie:

1. Een snellere resolutie.  In nauwelijks twee maanden na het indienen van de klacht, volgde bevel om de domeinnaam naar ING België over te brengen. Dit relatief snelle verloop toont het voordeel van het gebruik van het aangewezen arbitrageproces in dergelijke zaken.

2. De verweerder die zijn belangen niet verdedigt. Zodra het effectieve aanbod om de domeinnaam te verkopen werd genegeerd, nam de verweerder niet deel aan de daaropvolgende procedure en was hij zelfs bereid het bezit van de domeinnaam te laten verlopen. Dit benadrukt dat, eens een merkhouder duidelijk maakt dat hij niet is geïnteresseerd om over een aankoop te onderhandelen, de bestaande domeinhouder vaak niet eens tussenkomt in de zaak.

3. Registrars en valse aanvragers. Het panel drukte haar ongenoegen uit over het vermogen van registrars om domeinnamen toe te kennen aan wat duidelijke valse aanvragers zijn, via mechanismen zoals privacy shields. Het panel zei dat de tijd was gekomen om meer van domeinnaam registrars te eisen om dit soort van resultaten te vermijden zodat er geen tijd en geld meer moeten worden geïnvesteerd om een domeinnaam aan zijn juiste eigenaar te geven. Haar herinnering aan deze boodschap zal “cybersquatting” niet elimineren; toch zal het hopelijk de meer eerzame registrars ertoe aanzetten om hun bestaande registratieprocessen te herbekijken.

Belfius – beflius.be

Belfius is een Belgische bank die in de Benelux en Europa verscheidene “Belfius” handelsmerken bezit in verband met bankgerelateerde goederen en diensten.

De verweerder, de heer Dioen Kend uit de Verenigde Staten, registreerde in juni 2012 de domeinnaam beflius.be. De website van deze domeinnaam bevat gesponsorde links naar verkopers van ongerelateerde producten en diensten en van andere banken (inclusief Belfius’ concurrenten).

In september 2012 en maart 2013, stuurde Belfius twee brieven naar de heer Kend waarin geëist werd dat hij het gebruik van de domeinnaam zou stopzetten. Deze brieven bleven echter onbeantwoord.

In april 2013, diende Belfius klacht in bij het Belgisch Centrum voor Arbitrage en Mediatie (CEPINA) wegens het gebruik van de domeinnaam.

De daaropvolgende maand werd de heer Kend van de klacht van Belfius in kennis gesteld en werd hij uitgenodigd een reactie in te dienen. Dat heeft hij echter niet gedaan.

In juni 2013, oordeelde het panellid dat de domeinnaam zou moeten worden overgebracht naar Belfius gezien hij van mening was dat deze laatste met succes had bewezen dat de drie voorwaarden voor een klacht waren vervuld:

1. De domeinnaam was identiek aan of in verwarrende mate gelijkend op een handelsmerk of een dienstmerk waarop Belfius de rechten bezat. Het panellid was van mening dat Belfius geldige handelsmerken had en dat er een risico op verwarring bestond, zowel fonetisch als conceptueel, tussen “Belfius” en “Beflius”.  De toevoeging van de suffix “.be” was niet relevant om de twee van elkaar te onderscheiden gezien deze enkel betrekking had op de geografische origine van de domeinnaamwebsite.

2. De heer Kend bezat geen rechten noch legitieme belangen met betrekking tot de domeinnaam. Het panellid was niet ingelicht over enig bewijs dat aantoonde dat, voorafgaand aan iedere kennisgeving van het geschil, de heer Kend de domeinnaam of een naam overeenkomstig met de domeinnaam gebruikte in verband met een bona fide aanbieding van goederen en diensten, of dat hij aantoonbare voorbereidingen had gemaakt om dit te doen. De belangrijkste bewijsbron, de website van de heer Kend, toonde aan dat hij commercieel gebruik maakte van de domeinnaam door op misleidende wijze internetgebruikers om te leiden zodat zij advertenties zagen die reclame maakten voor concurrenten van Belfius.

3. De domeinnaam werd te kwader trouw geregistreerd en gebruikt. Volgens het panellid kon kwade trouw op iedere wijze worden bewezen, inclusief veronderstellingen en omstandigheden die aantoonden dat de heer Kend Belfius’ merknamen kende of zou moeten kennen en desalniettemin de domeinnaam registreerde. Hij stelde dat dit een typisch geval van “typosquatting” was gezien iedere typefout ten gevolge van de twee identieke en in sequentie verschillende letters tussen de handelsnamen van Belfius en de domeinnaam internetgebruikers naar een website zouden leiden die gesponsorde links bevatte die reclame maakten voor Belfius’ concurrenten. Daarenboven oordeelde hij dat er kwade trouw aanwezig was toen de heer Kend de domeinnaam registreerde, evenals tijdens zijn gebruik ervan nadien.

Hoewel het geval Belfius over een nationale.be domeinnaam ging en een geval van  “typosquatting” was, schraagt het de eerder belichte aspecten van de ING affaire: opnieuw vond er een relatief snelle resolutie voor het geschil plaats en, eens de klacht van start was gegaan, toonde de verweerder weinig interesse in de verdediging van de domeinnaam.

Frederic Debusseré licht nader toe:

“Het blijft voor een minderheid blijkbaar aantrekkelijk om domeinnamen te registreren die beroemde handelsmerken omvatten, via “typosquatting”, of zelfs door een handelsmerk letterlijk te kopiëren, in de hoop zo geld te verdienen.  Gelukkig kunnen merkhouders deze geschillen snel oplossen door systemen te gebruiken die out-of-court domeinnaamgeschillen behandelen om hun handelsmerken te beschermen.”

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkeling gelieve Frederic Debusseré te contacteren op (frederic.debussere@timelex.eu).

Merk op: time.lex heeft eveneens de uitspraak van het HJEU van juli 2013 over de problematiek van het gebruik van een domeinnaam door een concurrent hier beoordeeld.

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer

Domeinnaam en Metatag Reclame: Uitspraak van het HJEU

Geschreven door Geert Somers op , in de categorie Copyright & other IP

In juli 2013 sprak het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HJEU”) een prejudiciële beslissing uit (in Zaak C‑657/11) over de betekenis van het woord "reclame" in de context van zowel de Richtlijn inzake Misleidende en Vergelijkende Reclame (Richtlijn 2006/114) (“de Richtlijn”) als de Richtlijn die hieraan voorafging (Richtlijn 84/450).  De betekenis die het HJEU toeschrijft aan “reclame” hield niet de registratie van een domeinnaam in maar wel haar gebruik, net als het gebruik van metatags.

De uitspraak van het HJEU gebeurde in antwoord op een verwijzing van een Belgisch hof betreffende een kwestie van misleidende en vergelijkende reclame in een geschil tussen twee concurrenten.

Achtergrond: EU-wetgeving omtrent misleidende en vergelijkende reclame

De bedoeling van de toepasselijke EU-wetgeving is handelaars te beschermen tegen misleidende reclame, inclusief de oneerlijke gevolgen hiervan, en de voorwaarden te stellen waaronder vergelijkende reclame kan worden toegestaan. De Richtlijn, identiek aan Richtlijn 84/ 450, bevat de volgende definities:

“Reclame”: iedere mededeling bij de uitoefening van een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep ter bevordering van de afzet van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;

“Misleidende reclame”: elke vorm van reclame die op enigerlei wijze, daaronder begrepen haar opmaak, de personen tot wie zij zich richt of die zij bereikt, misleidt of kan misleiden en die door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden, of die om die redenen een concurrent schade toebrengt of kan toebrengen ;

“Vergelijkende Reclame ”: elke vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd.

Achtergrond: feiten ter discussie

Twee Belgische concurrenten, Belgian Electronic Sorting Technology NV (“BEST”) en Visys NV (“Visys”), produceren, fabriceren en verdelen sorteermachines en sorteersystemen met ingebouwde lasertechnologie. BEST is opgericht in april 1996. Visys is in oktober 2004 medeopgericht door de heer Peelaers, een vroegere werknemer van BEST.

In januari 2007 registreerde de heer Peelaers namens Visys de domeinnaam “www.bestlasersorter.com”.  De inhoud van de website beheerd onder die domeinnaam was identiek aan Visys’ gewoonlijke websites en toegankelijk onder de domeinnamen “www.visys.be” en “www.visysglobal.be”.

Daarenboven kwam BEST te weten dat:

-        wanneer de woorden “Best Laser Sorter” in de zoekmachine “www.google.be” werden ingegeven, het tweede zoekresultaat dat onmiddellijk na de website van BEST verscheen, een link naar Visys’ website was, en

-        Visys gebruikte als metatags voor haar websites de namen van de sorteermachines van BEST.

BEST was van mening dat de registratie en het gebruik van de domeinnaam “www.bestlasersorter.com” en het gebruik van deze metadata een inbreuk waren op hun handelsmerk en handelsnaam, en inbreuken vormden op de wet betreffende misleidende en vergelijkende reclame (de Belgische omzetting van de Richtlijn) en de Belgische wet betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen. Het verzocht een gerechtsdeurwaarder om deze inbreuken vast te stellen in een officieel rapport. Daarna startte BEST een procedure op tegen Visys en de heer Peelaers, om een verbod te verkrijgen tegen deze vermeende inbreuken en overtredingen.

De zaak kwam uiteindelijk voor het Hof van Cassatie, dewelke het HJEU verzocht de volgende vraag te verduidelijken:

“Moet de term “reclame” in Artikel 2 van de Richtlijn 84/450 en in Artikel 2 van de Richtlijn 2006/114 geïnterpreteerd worden, enerzijds, de registratie en het gebruik van een domeinnaan en anderzijds, het gebruik van metatags in de metadata van een website te omvatten?”  

Prejudiciële beslissing van het HJEU

In juli 2013 deed het HJEU uitspraak: “Het antwoord op de doorverwezen vraag is dat Artikel 2(1) van Richtlijn 84/450 en Artikel 2(a) van Richtlijn 2006/114 moet worden geïnterpreteerd als dat de betekenis van de term “reclame”, zoals gedefinieerd door die bepalingen, in een situatie zoals deze, het gebruik dekt van een domeinnaam en van metatags in de metadata van een website. Daarentegen, de registratie van een domeinnaam is als dusdanig niet omsloten door die term.”

Door tot dit besluit te komen, bevestigde het HJEU de bestaande brede definitie van “reclame” welke vormen omvat die “zeer gevarieerd” zijn en niet beperkt blijven tot het “traditionele”. Het HJEU stelde dat de bedoeling van de Richtlijn en haar voorganger erin bestond de verschillende belangen te balanceren die werden beïnvloed door vergelijkende reclame: door concurrenten toe te staan op objectieve wijze de verdiensten van verscheidene vergelijkbare producten te onderstrepen om concurrentie te stimuleren ten voordele van de consument; en praktijken te verbieden die de concurrentie kunnen vervalsen of schadelijk kunnen zijn voor concurrenten, en een ongunstig effect hebben op de keuze van de consument.

In deze context oordeelde het HJEU:

Domeinnaamregistratie viel niet onder de betekenis van “reclame” gezien het een louter formele handeling is. Meer specifiek werd een lichaam dat werd aangeduid om domeinnamen te beheren gevraagd om, tegen betaling, die domeinnaam in te voeren in haar gegevensbestand en om internetgebruikers die deze domeinnaam ingaven op het IP-adres gespecificeerd door de domeinnaamhouder te linken. Domeinnaamregistratie betekende echter niet automatisch dat het vervolgens ook echt zou worden gebruikt om een website te creëren en, bijgevolg, zou het voor internetgebruikers mogelijk zijn om zich van die domeinnaam bewust te worden. Potentiële klanten zouden zich vermoedelijk niet bewust worden van, en zouden bijgevolg ook niet worden beïnvloed door, een loutere registratie van een domeinnaam. Het HJEU merkte op dat de registratie van de handelsnaam van een concurrent als domeinnaam die concurrent de mogelijkheid ontnam die domeinnaam zelf te registreren en te gebruiken, en op die wijze mogelijk vervolgbaar is krachtens andere wettelijke bepalingen.

Het gebruik van een domeinnaam viel wel onder de betekenis van “reclame” gezien het gebruik van een domeinnaam die verwees naar de goederen, diensten of handelsnaam van eender welk bedrijf een vorm van mededeling was, gesteld ten aanzien potentiële klanten,  zij dan een website zouden vinden gerelateerd aan die goederen of diensten of naar dat bedrijf onder die naam.

In de nationale procedure werd de domeinnaam, die het merk BEST bevatte, gebruikt om de inhoud van Visys’ website te hosten. Een dergelijk gebruik was bedoeld om de afzet te bevorderen van Visys’ goederen of diensten en de keuze van de domeinnaam was bedoeld om internetgebruikers aan te zetten om Visys’ site te bezoeken en een belang te stellen in hun aanbod.

Het gebruik van metatags viel eveneens onder “reclame”, gezien het HJEU het feit dat metatags onzichtbaar zijn voor een internetgebruiker en rechtstreeks werden geadresseerd aan een zoekmachine als niet relevant beschouwde. Metatags kiezen die overeenstemmen met de goederen en de handelsnaam van een concurrent in de programmeercode van een website, zorgde ervoor dat die website werd gesuggereerd aan iedere internetgebruiker die op zoek ging naar de goederen of de handelsnamen van die concurrent. Dit soort van gebruik van metatags was een promotiestrategie bedoeld om de internetgebruiker aan te moedigen de site van de metatag gebruiker te bezoeken en kennis te nemen van haar goederen of diensten.

Implicaties van de uitspraak: enkele bedenkingen

Het HJEU heeft eens te meer de wisselende aard van “reclame” bevestigd. Dit betekent dat, in de snel evoluerende online wereld, online deelnemers voorzichtig moeten zijn over de handeling die zij stellen met betrekking tot het merk van een concurrent.

Het HJEU stelde niet dat het gebruik van de domeinnamen en metatags van een concurrent in zichzelf een vorm waren van misleidende reclame. Het is dus van belang hoe dit gebruik naderhand door de nationale wetgeving zal worden geïnterpreteerd.

Het valt nog te bezien hoe deze uitspraak bezitters van handelsnamen zal helpen om te voorkomen dat concurrenten hun handelsmerken als sleutelwoorden en metatags zullen registreren door handelingen te stellen die een inbreuk vormen op het handelsmerk. In dit opzicht is het daarentegen eveneens interessant op te merken hoeveel eigenaars van handelsmerken succesvol resolutieprocedures hebben gebruikt voor domeinnaamgeschillen om cybersquatting of Typosquatting te voorkomen (zoals time.lex hier heeft beschouwd).

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkeling gelieve Geert Somers te contacteren op (geert.somers@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer

Elektronische Facturatie in Overheidsopdrachten : Juridische Ontwikkelingen

Geschreven door Edwin Jacobs op , in de categorie E-government

Op 26 juni 2013, publiceerde de Europese Commissie (“de Commissie”) zowel een mededeling (“de Mededeling”) getiteld “Eind-tot-eind e-aanbesteding ter modernisering van het openbaar bestuur” (voor de officiële vertaling zie http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2013:0453:FIN:NL:PDF), als een gerelateerd voorgesteld ontwerp voor een richtlijn (“Het Richtlijnontwerp”) over “Elektronische facturatie in Overheidsopdrachten”. Dit wetsvoorstel wordt nu door de Europese Raad en het Europees Parlement in beraad genomen. Hierop zijn al enkele nuttige initiële reacties op gekomen wat betreft haar beleidsdoel en inhoudelijke bepalingen.

Op het Europese regionale niveau heeftde Vlaamse regering intussen een stappenplan aangekondigd ter verwezenlijking van een volledige Business-to-Government elektronische facturatie. time.lex volgde de ontwikkelingen op het gebied van elektronische facturatie en elektronische archivering op de voet.

Allereerst zal de basisterminologie kort uiteengezet worden gevolgd door: de Mededeling, die de visie van de Commissie voor de volledige digitalisering van het openbare aanbestedingsproces uiteenzet; de Ontwerprichtlijn, die specifiek handelt over elektronische facturatie in Overheidsopdrachten; en tot slot de ontwikkelingen in Vlaanderen.

Achtergrond

e-procurement betreft het gebruik van elektronische middelen door organisaties in de publieke sector voor de aankoop van goederen en diensten of om in te schrijven op openbare werken. Het omvat de volgende stadia : elektronische publicatie van aankondigingen van inschrijvingen op overheidsopdrachten (“e-notification”); de publicatie van documentatie met betrekking tot openbare procedures betreffende overheidsopdrachten, zoals het ter beschikking stellen van het bestek via internet (elektronische toegang tot opdrachtdocumenten); en elektronische aanbiedingen van inschrijvingen door bedrijven die reageren op een oproep tot inschrijven (“e-submission”).

Eind-tot-eind elektronische aanbesteding (“end-to-end e-procurement”) is het gebruik van elektronische communicatie en transactieverwerking in contracten voor overheidsopdrachten gedurende het hele proces, te starten vanaf de elektronische publicatie van aankondigingen tot elektronische betaling. Het betreft een groter aantal stadia dan e-procurement ( zoals de stadia na gunning van de offerte zoals ordening en archivering).

Elektronische facturatie (“e-facturatie”) is de elektronische overdracht van facturen tussen leveranciers en kopers.

De Mededeling

De Mededeling neemt de voordelen in overweging van  end-to-end e-procurement . Vervolgens identificeert zij de huidige stand van implementatie over de gehele EU. Tenslotte stelt zij een reeks maatregelen voor die de EU en haar Lidstaten in staat stelt de overgang naar de end-to-end e-procurement tot stand te brengen.

Het omschrijft de algemene voordelen die de overstap naar end-to-end e-procurement oplevert, inclusief: de totstandbrenging van aanzienlijke besparingen; het inkorten van de duur van de aankoop-tot-betaling cyclus ; het faciliteren van groei door de interne markt toegankelijk te maken en door innovatie en vereenvoudiging te bevorderen.

De Mededeling wijst er op dat er bijzondere voordelen bestaan voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), evenals voor de modernisering van overheidsadministratie,  aangezien eind-tot-eind e-aanbesteding zowel kmo-participatie in overheidsopdrachten (door de verlaging van de totale administratieve last, het verhogen van de transparantie inzake zakelijke opportuniteiten en de verlaging van participatiekosten) en een structurele heroverweging van bepaalde gebieden van overheidsadministratie zou kunnen vergemakkelijken.

Het bespreekt de bredere inspanningen die worden geleverd om overheidsopdrachten te digitaliseren. Van de drie relevante gunningprocessen na aanbiedingen (respectievelijk elektronische betalingen, ordening en archivering), zijn de eerste twee al door andere wetgeving aangesneden (respectievelijk betreffende de Single Euro Payments Area en elektronische catalogen) en is enkel het derde proces afhankelijk van elektronische facturatie. Om die reden heeft de Commissie op dit ogenblik prioriteit gegeven aan het elektronisch factureren, zoals samengevat in het Richtlijnontwerp hieronder.

Bij de beoordeling van de huidige toestand van het landschap van de Overheidsopdrachten, stelt de Mededeling dat de situatie zeer gefragmenteerd en complex is; wat het hoge aantal verschillende procedures verklaart, IT-technologieën, certificatievereisten, en gebruik van praktijken die de kansen geboden door IT-technologieën niet volledig benutten. Het gebruiksvriendelijke van de systemen van e-aanbesteding en hun interoperabiliteit zijn sleutelelementen die een hoge opname van e-aanbesteding zouden kunnen mogelijk maken, evenals ruime besparingen en voordelen. De Mededeling concludeerde dat, zelfs met regionale verschillen, er momenteel een lage opname is van eind-tot-eind e-aanbesteding in de EU, met potentieel een sterke groei.

Om verdere eind-tot-eind e-aanbesteding mogelijk te maken, zet de Mededeling een reeks van actiepunten uit om de implementering van eind-tot-eind e-aanbesteding door de lidstaten verder mogelijk te maken. In zijn geheel willen zij: van elektronische facturatie de regel maken, eerder dan de uitzondering; de standaardisering verder zetten; nationale strategieën ontwikkelen voor eind-tot-eind e-aanbesteding ; en de beste toepassing delen.

De Ontwerprichtlijn

Het eerste actiepunt van de Mededeling is de Ontwerprichtlijn die van elektronische facturatie in overheidsopdrachten de norm eerder dan de uitzondering wil maken.

De Ontwerprichtlijn is erop gericht om een Europese standaard inzake elektronische facturatie te bepalen om de interoperabiliteit tussen de verschillende bestaande systemen en standaarden (wereldwijd, nationaal, regionaal en particulier) van elektronische facturatie te verbeteren. Het wil wettelijke onzekerheden, overdreven complexiteit en bijkomende werkingskosten voor economische actoren (die momenteel verschillende elektronische facturen moeten gebruiken voor verschillende lidstaten) elimineren, en zou de opname van elektronische facturatie in Europa moeten helpen stimuleren, die momenteel nog erg laag blijft (slechts 4-15% van alle verstuurde facturen).

Het doel van interoperabiliteit maakt het mogelijk om informatie tussen verschillende bedrijfssystemen op een consequente wijze aan te bieden en te verwerken, ongeacht hun technologie, toepassing of platform. Volledige interoperabiliteit houdt de mogelijkheid in om te interopereren naar inhoud (semantisch), format (syntax), en overdrachtsvoorwaarden. Semantische interoperabiliteit houdt in dat de precieze betekenis van de uitgewisselde informatie wordt behouden en goed wordt begrepen op een ondubbelzinnige manier, onafhankelijk van de manier waarop deze fysiek wordt voorgesteld of overgebracht.

Door semantische interoperabiliteit te verzekeren en wettelijke zekerheid te verbeteren, zou de Ontwerprichtlijn de opname moeten promoten van elektronische facturatie in overheidsopdrachten, waardoor het Lidstaten, contracterende autoriteiten, contracterende entiteiten, en economische actoren mogelijk zou worden gemaakt om aanzienlijke voordelen te verkrijgen inzake besparingen, impact op het milieu, en vermindering van de administratieve last.

Meer praktisch, en met de nodige aandacht voor de wetgeving inzake gegevensbescherming, werd voorgesteld dat een dergelijke Europese norm, opgesteld door de relevante Europese normalisatie-autoriteit, bijzondere semantische gegevenselementen zou moeten definiëren die verwijzen naar: complementaire koper-verkoper gegevens, proces identificatoren, factuur attributen, details inzake gefactureerde goederen of diensten, leveringsinformatie, betalingsvoorwaarden en – details.  Een dergelijke norm zou eveneens compatibel moeten zijn met de bestaande normen voor betalingen om automatische betalingsverwerkingen mogelijk te maken. Het zou geen elektronische handtekeningen mogen vereisen.

De Ontwerprichtlijn erkent bestaande wetgeving die de voorwaarden stelt voor het versturen en accepteren van elektronische facturen voor btw-doeleinden (Richtlijn Europese Raad 2006/112/EC van 28.11.06) en stelt dat deze bepalingen onaangetast dienen te blijven door de Ontwerprichtlijn. De Ontwerprichtlijn erkent eveneens dat de overgang naar elektronische facturen initieel niet verplicht mag zijn.

Wat betreft de timing is de Ontwerprichtlijn enkel een wetgevend voorstel van de Commissie en zal zij nu in overweging genomen worden door de Europese Raad en het Europees Parlement. Het huidige voorstel voorziet dat de Lidstaten in staat zouden moeten zijn om de laatste versie van de Richtlijn om te zetten binnen de vier jaar nadat de wetgevers haar hebben aangenomen (misschien bij benadering samenvallend met de bepalingen betreffende e-procurement in de modernisering van richtlijnen inzake overheidsopdrachten).

Ontwerprichtlijn: Initiële Externe Reactie

Sinds haar publicatie, is de initiële reactie van buitenaf op de Ontwerprichtlijn over het algemeen één van aanmoediging geweest wat betreft haar intentie, hoewel kritisch wat betreft haar gebrek aan ambitie en bepaalde inhoudelijke aspecten. 

Eén commentator beschouwde de Ontwerprichtlijn als een gemiste kans. Het argument is gemaakt dat de EU er niet in slaagt om het succesvolle precedent te volgen van haar overeenkomst in de jaren 1980 over de GSM telefonie standaard (die daaropvolgend de regio een concurrentieel voordeel en aanvankelijk een positie van wereldleider gaf inzake mobiele telefoons). De ontwerprichtlijn werd bekritiseerd omdat ze er niet in slaagde om vandaag een gelijkaardige kans te grijpen met de elektronische facturatie. De Steun voor dit argument wordt getoond door de sponsering door de Commissie van het PEPPOL Project ter waarde van 30 miljoen euro; een project dat doelde op de creatie van een pan-Europese infrastructuur voor e-procurement, gebaseerd op open normen en een open infrastructuur en wat ondertussen succesvol werd geïmplementeerd in Noorwegen, Denemarken, Zweden, Finland, Ierland (en binnenkort ook in Nederland).

In die context wordt de Ontwerprichtlijn verweten te weinig durf te tonen, de verkeerde middelen aan te wenden, te weinig te doen en te laat in actie te komen. Vier gebieden krijgen in dit opzicht een bijzondere aandacht: het voorstel om semantische standaardisatie te gebruiken in plaats van te bouwen op de bestaande investering die inzake e-facturatie oplossingen over de EU-grenzen heen reeds werden gemaakt door verscheidene Lidstaten hierboven vermeld; de afwezigheid van enig voorstel over hoe facturen zouden moeten worden uitgewisseld tussen toeleveranciers en kopers; het gebrek aan een sterke stimulans voor toeleveranciers om over te schakelen naar elektronische facturatie door enkel maar openbare autoriteiten te verplichten om elektronische facturen te ontvangen; en het feit dat Lidstaten vier jaar zouden hebben om de voorgestelde regels te implementeren – een tijdschaal die de EU potentieel van een voordeel berooft in de digitalisering van het procure-to-pay proces.

De aankomende wetgevende controle door de Europese Raad en het Europese Parlement zal aantonen of de beleidskeuze er in zal bestaan de optie van de Commissie te volgen om de markt te laten beslissen over de meer  algemene elektronische facturatienormen, dan wel druk uit te oefenen voor een norm die voor heel de EU zal gelden, gebaseerd op bestaande normen in bepaalde Lidstaten, die de EU potentieel een concurrentie voordeel zouden kunnen geven (zoals met de GSM telefonie) en snel in andere delen van de wereld kunnen worden aangenomen.

B2G in Vlaanderen

In een gerelateerde ontwikkeling, die de wetgevende verandering inzake elektronische facturatie op regionaal niveau in de EU illustreert, net als de voordelen die het maken van deze overgang opleveren, is de Vlaamse Regering een programma gestart om over te gaan tot een volledige Business-to-Government elektronische facturatie en een bijkomende efficiëntie te verwezenlijken van € 7.6 miljoen op een totaal van 700,000 facturen per jaar.

De implementering van het nieuwe systeem zal verschillende fasen doorlopen. Vanaf 1 januari 2015 zal een digitaal facturatieplatform van start gaan om de ontvangst van elektronische facturen te vergemakkelijken, en zullen bedrijven de kans krijgen om elektronische facturen naar alle rechtspersonen van de Vlaamse regering te sturen. Tegen 2017 zullen alle facturen digitaal ontvangen en verwerkt worden.

Edwin Jacobs licht nader toe:

“Eind-tot-eind e-aanbesteding (van elektronische publicatie tot elektronische betaling) is een belangrijke sleutel om de Europese bedrijven in staat te stellen hun administratie te vereenvoudigen. Recente initiatieven zoals simplerinvoicing.org zal e-facturatie over de grenzen heen mogelijk maken, vergelijkbaar met “roaming” in de telecommunicatiesector.”

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkeling gelieve Edwin Jacobs te contacteren op (edwin.jacobs@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer

PSD2: toegang tot de rekening

Geschreven door Edwin Jacobs op , in de categorie E-business

In juli 2013 publiceerde de Europese Commissie een pakket wetsvoorstellen met daarin een geüpdatete Richtlijn voor Betalingsdiensten (beter bekend onder de Engelstalige afkorting “PSD2”).  De PSD2 handelt wat betreft bank en betaling onder meer over toegang tot en gebruik van de informatie op betaalrekeningen door een derde partij die betalingsdiensten aanbiedt, in het jargon gekend als “access to the account”...

Achtergrond

De Richtlijn voor Betalingsdiensten (“PSD”) trad in werking in 2007 en voorzag voor de gehele EU een gemeenschappelijke basis voor de creatie van één enkele betalingsmarkt.

Sedert enkele jaren is de Europese Commissie de PSD opnieuw gaan bekijken als een onderdeel van een bredere evaluatie op betalingen in de EU. In 2012 ontving de Commissie reacties op haar Groenboek over een geïntegreerde Europese markt voor mobiele betalingen en betalingen via bankkaart en internet,  en concludeerde dat de snelheid van technologische ontwikkelingen in betalingsdiensten betekende dat verdere maatregelen en reglementerende updates, met inbegrip van aanpassingen van de PSD, vereist waren. De richtlijn inzake elektronisch geld wordt eveneens herzien.

In juli 2013, publiceerde de Europese Commissie een pakket gerelateerde wetgevende voorstellen met inbegrip van de geüpdatete Richtlijn Betalingsdiensten, PSD2, en een Verordening op Multilaterale Afwikkelingsprovisies (beter bekend als MIF’s).

PSD2 toegang tot de rekening

Voor PSD2 was “toegang tot de rekening” een veel bediscussieerd concept onder regulatoren (zoals de Europese Centrale Bank), banken en dienstverleners.

Wanneer technologische innovatie razendsnel begon te evolueren, werden online bankieren en aanverwante diensten gezien als een potentiële facilitator om online zaken te doen. Informatie, meer bepaald informatie uit bankrekeningen van klanten, kon potentieel de “grondstof” uitmaken voor een nieuw soort van diensten, bestemd voor het vergemakkelijken van e-commerce processen.  Of dergelijk potentieel ook een commerciële realiteit zal worden, valt nog af te wachten.

PSD2 (Artikels 58-59) beoogt de opening van betaalrekeningen te vergemakkelijken en gaat verder dan de traditionele band tussen klant en bank, door een brede variëteit aan mogelijkheden aan te bieden voor derde partijen wat betreft de aangeboden informatie  en/of betalingsinitiatiediensten. De doelstellingen van “toegang tot de rekening” zijn: de concurrentie tussen aanbieders te versterken (banken en derde partijen), gunstige innovatie voor eindgebruikers te doen ontstaan, en de markt voor digitale diensten te vergroten. 

In dit stadium echter, brengt “toegang tot de rekening” een aantal kwesties ter sprake die in de aankomende wetgevingsberaadslagingen door de Europese Raad en het Europees Parlement in overweging zullen worden genomen, waaronder:

Toezicht en vergunningverlening: “toegang tot de rekening” moet een “level playing field” bewaren in de betalingsmarkt en een correcte vergunningverlening en toezicht verzekeren van alle types van dienstaanbieders (inclusief derde partij dienstaanbieders die diensten aanbieden die toegang tot betaalrekeningen verschaffen).

Veiligheid en fraudepreventie: toegang tot de bankrekening van een klant verlenen aan een derde partij dienstaanbieder houdt risico’s in, gezien het delen van relevante gegevens met een derde partij bloostelling aan veiligheidsrisico’s vergroot (zoals hacking). Men moet daarom de voorzorg nemen om te verzekeren dat diensten die toegang tot betaalrekeningen aanbieden veilig zijn voor alle betrokken partijen. Uitvoerige duidelijkheid tussen banken en derde partij dienstaanbieders betreffende veiligheidsauthenticatie en identificatiemethoden zijn noodzakelijk om fraude en veiligheidslekken te voorkomen. Deze duidelijkheid kan op verscheidene wijzen worden bereikt, bv. via een contract tussen de bank en de diensten die toegang tot betaalrekeningen aanbieden, of door zich te houden aan een (toekomstig) reglement of bedrijfsnorm, of misschien via een standaardovereenkomst die kan worden opgesteld door de Europese wetgever, zoals gebeurd is met het Europese modelcontract voor de overdracht van persoonsgegevens naar derde landen.

Consumenten- en gegevensbescherming : bankrekeninghouders vertrouwen op correct geautoriseerde entiteiten, zoals banken, om de integriteit te beschermen van de fondsen en persoonsgegevens van de houders die zich in de bewaring van deze entiteiten bevinden. Dit maakt duidelijkheid omtrent consumentenrechten en –plichten hachelijk wanneer eender welke derde partij toegang vraagt tot de betaalrekening van de consument en de banken.

Transparantie: de toegang van een derde partij dienstaanbieder tot een bankrekening moet steeds transparant zijn voor alle betreffende partijen. Klanten moeten transparantie worden gegarandeerd aangaande de gebruiksvoorwaarden van dergelijke diensten die toegang tot betaalrekeningen aanbieden.

Aansprakelijkheidstoewijzing : de toewijzing van aansprakelijkheden tussen banken en derde partij dienstaanbieders  en de rechten op compensatie in geval van schade moet worden verduidelijkt en moet zeker zijn.

PSD2: vermoedelijke wetgevende tijdschema

PSD2 is een lang wetsvoorstel (meer dan 100 pagina’s).  PSD maakte het voorwerp uit van een langdurig en voorzichtig wetgevend onderzoek. Indien we dit nemen als uitgangspunt voor het komende wetgevende tijdschema, is het waarschijnlijk dat PSD2 voor een gelijkaardige duur in beraadslaging zal worden genomen. Met de bijkomende factor van de verkiezingen van het Europees Parlement in de zomer van 2014, is het weinig waarschijnlijk dat PSD2 nog voor 2015 zal worden goedgekeurd. Een dergelijke datum zou de EU-lidstaten waarschijnlijk tot 2017 geven om PSD2 om te zetten in nationale wetgeving.

Edwin Jacobs licht nader toe:

“Deze betalingsinnovatie in de PSD2 zou moeten leiden tot een “gecontroleerde toegang tot de rekening”, hierbij volgende zaken combinerend: (1) het gemak voor de klant, (2) veiligheid voor de bank, de klant en de derde partij dienstaanbieder , en (3) de banken en de derde partij dienstaanbieders een winstgevend bedrijfsmodel toestaan.”

Voor meer informatie over deze juridische ontwikkeling  gelieve Edwin Jacobs te contacteren op (edwin.jacobs@timelex.eu).

Deze publicatie behandelt niet noodzakelijk ieder belangrijk onderwerp, noch ieder aspect van de behandelde onderwerpen en is niet bedoeld als juridisch of ander advies.

Lees meer